Duik in het verleden

 

 

 

 

DE BOERDERIJEN VAN DE FAMILIE HOLLANDER UIT FRIESLAND

 
Door H.A. Zeinstra
 
Hurdegaryp.
 
Zie ook het familieboek Hollander "De Familie Hollander uit Herbayum van 1600 tot heden".
Ter inzage bij:

   - NVG Naarden
   - C.B.v.G. 's-Gravenhage
   - Rijksarchief Friesland
   - Gemeente Archief Apeldoorn.

 

In het artikel over de familie Hollander van Herbayum in het Genealogysk Jierboekje uit 1981 worden diverse boerderijen vermeld, die zonder kennis van de situatie ter plaatse niet of nauwelijks te vinden zijn. Nu zijn de meeste boerderijen die in de geschiedenis van de familie een rol hebben gespeeld op de in dat artikel opgenomen kaartjes ontleend aan de grietenijkaarten van Franekeradeel (1693) en Barradeel (1686) uit de Schotanusatlas wel ingetekend, maar, omdat namen veelal ontbreken, wordt niet duidelijk om welke het nu eigenlijk gaat. Aan de hand van stem- en floreenkohieren uit de periode 1640-1858 in combinatie met de eerste kadastrale gegevens van 1832, is het echter mogelijk de ligging van deze boerderijen met bijbehorende landerijen precies te lokaliseren en te vergelijken met de situatie van vroeger en nu. Dan blijkt vaak dat de huidige situatie maar weinig of niet verschilt met die van eeuwen geleden. Op bijgaande kaartjes van het grondgebied rond Herbayum en Pietersbierum, ontleend aan de Nieuwe atlas van de provincie Friesland van W. Eekhoff (1849-1859), die gebaseerd is op de kadastrale gegevens van 1832, zijn de belangrijkste boerderijen omcirkeld. Het erbij behorend land is gearceerd en heeft voor de duidelijkheid een code gekregen, die ontleend is aan de stemkohieren. De navolgende lijst is uitgebreid met aantekeningen die een aanvulling zijn op het genoemde artikel. Luinkerk 3 (de âld pôlle), Luinkerk 4 (Ongeboer tichelwerk) en Wetsensbosch onder Midlum werden daarin nog niet genoemd. De boerderijen worden steeds aangegeven met hun dorp- en stemnummer en hun naam.

 

5.1 Achlum 14, Monnikebil (Muntjebil)
Deze voormalige kloosterplaats werd in 1640 nog gerekend tot het eigendom van de Staten van Friesland. Meier was toen Pijter Bens. In 1644, toen veel oud kloosterland werd verkocht, was dat nog het geval, maar niet veel later zullen de Stadsarmen van Harlingen eigenaars geworden zijn en Gerben Pyters meier. Hiervoor spreekt dat Muntjebil in de jaarrekening van de Harlinger armvoogden over 1643 nog niet wordt vermeld. De daaropvolgende rekeningen over 1644 tot en met 1646 werden helaas niet bewaard, maar in die van 1647 komt dan voor 't eerst een inkomstenpost voor betreffende een rest van de huur over het voorafgaande jaar en daarna jaarlijks tot 22 augustus 1661 de huur van gemiddeld 375 Cgl. betaald door Gerben Pyters. Deze Gerben kenden wij al als een verwant van Epe Dircks Hollander, die als "cousijn" (d.i. volle neef?) in 1659 voogd werd over zijn kinderen. Na het overlijden van Gerben (vóór 22 februari 1659) betaalt eerst diens zoon nog de huur, maar in 1661 neemt Dirck Ypes Hollander het over en dat blijft zo tot augustus 1663. In april van dat jaar verkochten de voogden van de "huiszittende armen binnen Harlingen" de zate "met kennis en goedvinden der achtbare magistraat, gezworen gemeente en vroedschap, en bij decreet van het Hof van Friesland volgens bekomen consent d.d. 23 februari 1663". Hij was toen omtrent 100 pm groot, waaronder 8 pm terpland, en bezwaard met 30 floreen binnendijks. De verdere lasten behelsden de huizinge en ontruiminge cum annexis op de landen staande en de meier toebehorende, de doorreed van de Slachtedijk en het onderhoud van de twee "holten" (houten bruggetjes) dienende tot het gangpad naar Hitzum en Franeker. Wel vreemd is de bepaling dat de koper gehouden was de verdere lasten "zoals de kloostermeiers bij resolutie van 11 augustus 1612 en 10 juni 1637 te laste gelegd waren" te dragen. Immers, na de verkoop aan particulieren kon van kloostermeiers geen sprake meer zijn, laat staan op hen van toepassing zijnde resoluties. Provisioneel bij strijkgeld werd er een bod uitgebracht van 101 ggl. 7 st. per pm door een zekere Johannes Siouckes, huisman en ontvanger te Dongjum, en op 9 mei 1663 betaalt deze samen met Wybren Watses de eerste termijn à 4674 Cgl. 12 st. Een half jaar na deze transactie koopt Epe Dircks Hollander de helft van deze zate voor 115 ggl. per pm van Johannes Siouckes over. Eigenaar van de andere helft was inmiddels Jacob Wybrants te Dongjum (Jierboekje blz. 15). Uit de jaarrekening van de Harlinger armvoogden over 1664 blijkt dan dat Ype (Hollander) en Jacob Dirxen (zijn halfbroer ?) op 4 mei van dat jaar samen de tweede termijn van de koopsom à 4725 Cgl. aan de armvoogden van Harlingen afbetalen. Volgens een stemkohier waren Jacob Wybrants en Epe Dirks Hollander in 1670 elk voor de helft nog eigenaars en Dirck Ypes meier. Vermoedelijk is Dirck er in een tijdsbestek van plusminus 30 jaar met een onderbreking van omtrent 10 jaar gedurende twee periodes van ook elk 10 jaar meier van gebleven.

De zate was vanouds ook belast met het onderhoud van de Koetille (brug over de Harlinger trekvaart onder Midlum), Abbas Heringazijl en Schapetille (zijlen in de Marnedijk onder Achlum), zo blijkt uit een opgave van zates in Franekeradeel, die daar gezamenlijk toe verplicht waren.

Wanneer de erfgename van Jacob Wybrens voornoemd haar helft van de zate in 1690 verkoopt aan zekere Jan Jacobs, dan blijkt dat ook de helft van de huizinge, schuur en "plantagie" bij de koop is inbegrepen. Huis, zate en landen waren "mandelich" (=gemeenschappelijk) met Dirck Ypes Hollander (die was dus "eigenaar" van de andere helft en Dirck had die verkochte helft er net weer voor een periode van vijf jaar bij gehuurd. Het huurcontract liep echter onder de nieuwe eigenaar gewoon door en overeenkomstig het oude akkoord van inhuring werd verder afgesproken dat de koper ingeval van reparatie de materialen zou bekostigen en de huurder het halen en brengen alsmede kost, drank en arbeidsloon voor zijn rekening zou nemen. Na afloop van de huurtijd (op St. Petri in mei 1695) had hij, zoals dat in de grietenij de gewoonte was, nog wel recht op de oogst van de "wintersaijenge". Muntjebil was dus een bouwboerderij. Gezien de bepalingen in het huurcontract was het huis wel aan een opknapbeurt toe. Zou dat misschien de reden zijn geweest waarom Dirck de zate toen zelf niet bewoond heeft? Uit het doopboek van Harlingen blijkt immers dat zijn kinderen allemaal in Midlum werden geboren. Op Wetsensbosch woonde daar toen ook zijn jongste broer Gerrit.

Het aandeel van 10 pm waar Dirck recht op had stond na zijn overlijden aanvankelijk op naam van zijn weduwe Griet wegens haar kinderen, maar is naderhand bij dat van Gerrit gekomen. Met zijn eigen aandeel en de 10 pm die hij eerder al van zijn broer Pieter geërfd had bezat Gerrit daar toen dus 30 pm. De 20 pm die hij in 1704 op zijn sterfbed op naam van Gouke Suringar aan de R.K. statie Harlingen had geschonken blijven in de stem- en floreenkohieren wel geboekt op naam van zijn weduwe en kinderen, maar hadden feitelijk een bestemming gekregen vergelijkbaar met die in 1655, toen de Armvoogdij van de stad Harlingen eigenaar van de gehele zate was. Dit blijkt als bij een huiszoeking in 1734 het kasboek van de katholieke armen te Harlingen wordt gevonden. Het Hof van Friesland gelastte de kerkmeester Gerard Sybrand Suringar daarop het kasgeld en de obligaties "ten behoeve van de armen" aan de magistraat ter hand te stellen, terwijl de vaste goederen in beslag genomen werden om de bij de wet erkende eigenaar te vinden. Volgens de kohieren hebben die goederen ook na dit incident wel steeds op naam van de erven van Gerrit Ypes Hollander gestaan, maar na 1776 is het dan toch "de roomse gemeente van Harlingen". Bij plakkaat van 16 maart van dat jaar was het de "Roomschen" namelijk vergund ten behoeve van het onderhoud van kerken, geestelijken en armen wel vaste goederen te bezitten, te erven en aan te nemen. Het kasboek met rekeningen over de periode 1711-1734 is nog altijd aanwezig in het archief van het Hof van Friesland. De 10 pm waar Gerrit zelf nog recht op had vererfden op zijn twee kinderen Aafke en Dirck Gerrijts Hollander, die elk 5 pm kregen.  

 

5.2 Herbayum
Deze boerderij ligt dichtbij de dorpskom ten zuidwesten daarvan en ten zuiden van de Rijksstraatweg. Merkwaardig genoeg staat de boerderij niet op de kaarten van Schotanus en Eekhoff. Behalve in het Fries Landbouwblad van 6 juni 1958 (met een foto) wordt hij ook behandeld in een boekje van H. Kreger over oud-Herbayum, waarin ook een tekening is opgenomen. De familie Zeinstra bewoont de zate inmiddels meer dan 160 jaar.

 

5.3 Herbayum 12, Klein Ongeboer
Klein Ongebier bestond kennelijk al in 1616. De omschrijving "Cleyn Ongebuyrster landen" wordt dan namelijk al gebezigd om aan te geven waar de zathe van Jongh Pieters te Herbayum was gelegen. In die tijd was de trekvaart naar Leeuwarden echter nog niet van Franeker naar Harlingen doorgetrokken. Het ten noorden aan deze trekvaart gelegen Klein Ongeboer zal dus oorspronkelijk één geheel gevormd hebben met het ten zuiden daar niet ver vandaan aan dezelfde vaart gelegen Groot Ongeboer. Klein Ongeboer moet dan gezien worden als een jongere afscheiding daarvan, zoals dat in die tijd veel meer voorkwam. Zie bijvoorbeeld hierna bij Walta en Juckema onder Sexbierum. Ook van deze boerderij is een tekening opgenomen in het boekje van H. Kreger.

 

5.4 Herbayum 13, Groot Ongeboer
Groot Ongeboer wordt ook al genoemd in de rekening van de kloosteropkomsten over het jaar 1606/1607, opgemaakt door de ontvanger-generaal Joannes Henrici Rhala, waarvan een afschrift te vinden is in het archief van Liauckamastate. Sinds de Staten van Friesland op 21 maart 1580 het besluit namen om alle kloosterbezittingen in beslag te nemen, werd de administratie van die goederen gevoerd door een ontvanger-generaal in dienst van die Staten. Van de rekeningen die jaarlijks werden opgemaakt is helaas alleen die van Joannes Henrici uit 1607 en dan nog alleen als afschrift bewaard. Hieruit blijkt dat Dirck Pieters op Ongabuir de zate van 141 pm toen ook al in huur had voor 31 stuivers per pm, of jaarlijks 218 Car.gl. en 11 st. Zijn zate, zo blijkt nu, was eigendom geweest van het voormalige klooster te Achlum. Later, althans in de jaren 1655-1670 en daarna tot zijn overlijden in 1699 is Jan Pytters Ongeboer, de schoonvader van Dirck Ypes Hollander, steeds meier van Groot Ongeboer geweest. In zijn tijd werd hier net als op Klein Ongeboer het land vergraven voor de winning van klei voor de steenfabricage. In 1688 bestond 20 pm op een totaal van 143 uit vergraven land en ten westen daarvan stond een tichelwerk. Zijn dochter Attie Jans is hier vermoedelijk ook geboren. De naam Ongeboer die vader en dochter beide gebruiken zal dus wel aan deze boerderij ontleend zijn.  

In 1851 is de R.K. parochie te Harlingen door schenking bij testament eigenaar geworden van deze zate. De erflater Wijbe Sjoerds Jorritsma bepaalde daarbij dat de armen en de kerk elk de helft zouden krijgen. In "Beeld van de Harlinger werken" geeft H. Kreger een lijst van de bewoners vanaf 1829 tot heden en een tekening van de boerderij van vóór 1913. Tegenwoordig ligt Groot Ongeboer aan het eind van een doodlopende weg, die naar de voormalige brug over de Harlinger trekvaart Koetille is genoemd. In 1913 is de oude kop-hals-romp-boerderij afgebroken en vervangen door de stjelp die er nu staat.

 

5.5 Luinkerk 3, âld pôlle
Luinkerk 3 is ook een kloosterboerderij geweest en maakte als zodanig deel uit van het zogenaamde corpus. Dit onder Midlum ressorterende land lag rondom het voormalige klooster Ludingakerk of Luinkerk. Het werd oorspronkelijk door de kloosterlingen zelf bewerkt en was bestemd voor hun dagelijks onderhoud.   In de gevel van de boerderij, althans het huis dat daar nu nog staat, bevindt zich een steen uit 1721 met een wapen dat veel overeenkomst vertoont met het familiewapen Hollander. Beide voeren namelijk drie klavers op het schild en een kroon bij wijze van schilddekking. Deze steen herinnert aan het huwelijk in 1721 van de eigenaar Claas Jacobs Hibma, wiens initialen ook op de steen staan. De driebladige kroon met twee parelpunten die we hier zien wordt ook wel eigenerfdenkroon genoemd en duidt samen met de drie klavers op eigen landbezit gedurende meerdere generaties. Zie over het begrip eigenerfde en het familiewapen de inleiding (paragraaf 1.2) en het Jierboekje blz. 39 en 40.

 

5.6 Luinkerk 4, Ongeboer tichelwerk
Vanaf het begin, dat is in 1700, komt deze boerderij in de kohieren voor als een boerderij van 52 pm. Geografisch vormt het echter één geheel met de twee tichelwerken aan de Harliger trekvaart en enkele percelen los land ter grootte van 15 pm ten zuiden daarvan. De tichelwerken en het los land vormen samen de grens met het oostelijk gelegen Groot Ongeboer. Vermoedelijk is dit oorspronkelijk ook een kloosterboerderij geweest die deel uitmaakte van het corpus. Bij benadering is dit complex namelijk even een groot als de boerderij van 76 pm, die genoemd wordt in het register van de kloostermeiers van 1619 en bij de verkoop aan particulieren in 1639 nog onverdeeld is. Meier is daar dan Pieter Johannes, die in 1619 zijn vader Johannes Eeckes was opgevolgd. De opsplitsing van het land zal het gevolg zijn van de vestiging van enkele tichelwerken en de daarmee gepaard gaande vergravingen van het land. Omstreeks 1619 werd hier Pieters zoon Jan geboren. Deze trouwde in 1644 met Jetske Dircks Ongeboer, waarschijnlijk een dochter van Dirck Pieters Hollander, zijn buurmeisje dus. Jan Pieters is meier van Groot Ongeboer geworden. In 1679 koopt hij 15 pm land aldaar gelegen in de plaats voormaals van Jonge Sioucke Siouckes gekocht en eertijds door Claes Riencx als huurder gebruikt, hebbende de verkoper en de kinderen van Junius Alema (de eigenaars van Groot Ongeboer) ten oosten, zuiden, westen en noorden. Van Claes Riencx weten we dat hij vóór 8 februari 1673 tichelaar geweest was op Ongeboer. Zijn erfgenamen verkopen dan zeker heerlijk welgelegen tichelwerk bestaande in een steenoven, loodsen waarin "bekwame" woningen voor een tichelaar en zijn "feinten" (knechten) alsmede een "bekwame" schuur om koeien te kunnen melken, gelegen onder het ressort van Midlum op Luinkerck. De 15 pm land die Jan Pieters hier koopt kunnen dus onder Claes Riencx vergraven zijn voor de steenbakkerij. In 1700 koopt Gerrijt Ipes Hollander dit land van Eek Jarigs, de weduwe van Jan Pieters Ongeboer (Jierboekje blz. 23). Zo te zien historisch geen bijzonder feit. Toch vermeldt Dr. G.A. Wumkes deze transactie in zijn Stads- en Dorpskroniek van 1930-'34. De reden is natuurlijk dat Gerrijt Ipes dit land net als de 20 pm in Muntjebil te Achlum in 1704 nalaat aan de R.K. statie te Harlingen en dat het in 1734 door het Hof van Friesland verbeurd wordt verkaard. De geschiedenis loopt verder parallel met die van de inbeslagname van de 20 pm in Muntjebil.

 

5.7 Midlum 17, Wetsensbosch
Voor hij naar Pietersbierum vertrok woonde Gerrit Ypes Hollander te Midlum. In 1686 was hij daar meier van een zate van 100 pm. De eigenaars ervan, te weten de erfgenamen van Dr. Dominicus Wringer, secretaris van Harlingen, verkopen de zate dan, wegens schulden, aan Sierck Nauta, apotheker te Harlingen, die in 1700 nog eigenaar is. De omschrijving luidt dan: "een heerlijke zathe lands, groot in 't geheel 100 pm, alle kostelijke bouw- en graslanden, liggende tot Midlum aan de zuidkant van de Harlinger trekweg, wordende bij Gerryt Ipes gebruikt, zullende de grote huizinge, schuur, bomen en plantage in de koop der landen versmelten, doende de zathe te huur, boven de 1000 Caroliguldens verschot, 350 Caroliguldens in 't geheel, bezwaard met dit lopende jaar huur en 27 florenen, hebbende de zathe mede een stem, ..... in voegen de plaats bij Dr. Wringer is nagelaten. Voor de armen te betalen 4 goudgl." Volgens registers van de personele belasting vertrok Gerryt in 1693 van Midlum naar Pietersbierum (toen hij daar een boerderij kocht), maar volgens het doopboek van de statie Harlingen werden tot februari 1697 nog drie kinderen in Midlum geboren. Hij zal hier als meier zijn opgevolgd door Gerrijt Jansen, die er tot 1713 is gebleven en dan boer wordt op Tjitsma te Wijnaldum.

 

5.8 Pietersbierum 18, Swart slot
De naam "Swart slot" staat nu nog op de "homeiepeallen" (palen bij het hek dat toegang geeft tot het erf). Op de Schotanuskaart van Barradeel is dichtbij de boerderij in zuidelijke richting, dus in de richting van de Ried, een heuveltje getekend, dat volgens de verklaring van tekens de betekenis heeft van een "wier van een geslegte stins". Voor Gerryt Ypes Hollander, die de zathe (met wier) in 1693 kocht, was de stinsentijd geschiedenis uit een al lang vervlogen tijd. Misschien is de naam "Swart slot" daar nog een herinnering aan. De wier zelf is ook sinds lang geslecht. We schrijven nu 1994 en in de Riedpolder bij Pietersbierum op korte afstand van 't Swart slot is onlangs op een diepte van 2700 meter zout van topkwaliteit aangeboord. Volgend jaar wordt begonnen met de winning ervan. Het zal dan in een nog in Harlingen te bouwen fabriek worden verwerkt. Er wordt gerekend op een jaarlijkse produktie van 1,2 miljoen ton. Bij Herbayum is een zoutkoepel van nog grotere omvang ontdekt. Deze kan echter niet worden gewonnen, omdat hij wordt afgedekt door een gasveld. Dat gas wordt nu al wel gewonnen. Ook hier staat de tijd dus niet stil.

 

5.9 Wijnaldum 7 Tjitsma
Als curator over de kinderen van Gerrijt Jansen en Jouck Simckes, die meiers waren geweest van Tietse, Tjetse, Tjessens of Tjitsma te Wijnaldum, was Dick Gerrijts Hollander in 1731, dan zelf nog te Wijnaldum wonende, verwikkeld in een proces met de eigenaar van die zathe te weten de gelastigde van Maria Clara van der Laen van Liauckamastate te Sexbierum. Er wordt vrij stevig geargumenteerd, want onder de bijlagen van het procesdossier bevindt zich zelfs een afschrift (in het oud-fries) van het testament van Epo van Liauckama uit 1535. In 1713 had Gerrijt Jansen, nog te Midlum woonachtig, een contract gesloten met de toenmalige eigenaar de heer Alexander Joseph van der Laan voor de huur van Tjetse-zathe, groot 104 pm voor de duur van 15 achtereenvolgende jaren. Zoals destijds gebruikelijk was ontving hij daarbij de huisinge, schuur, hovinge en watermolen "op taxatatie" en zou hij deze na afloop van de huurjaren ook weer op taxatie mogen overleveren. Verder mocht hij wel de huisinge en schuur laten repareren en onderhouden, maar niet vergroten met nieuwe aanbouw. Uit de stukken blijkt echter dat er in de loop der tijd wel heel wat afgetimmerd is. Zo wordt uit de doeken gedaan dat er in 1671 een ingrijpende verbouwing heeft plaatsgehad. Het vervallen oudfriese langhuis werd toen afgebroken en vervangen door een voor die tijd moderne schuur. Later wordt ook het oude woongedeelte afgebroken en vervangen door een nieuw "binhûs". Opmerkelijk is dan de verklaring van een Sierck Gerrijts, die getuigt dat hij in 1678 met zijn ouders in het huis was komen wonen en dat de muren van dat oude "binhûs" ongewoon dik waren. De eigenaar lijkt echter na afloop van het contract niet bereid te huistaxatie te willen betalen en krijgt het recht gezien de uitspraak ook nog op zijn hand. De huurder houdt echter wel het recht "omme dat vernieuwinge en verbeteringe aen de huysinge c.a. nae het jaer 1670 gedaen van de gedaagde te mogen eijsen".

De terp in het land dat bij de boerderij hoort was in de jaren 1990 tot en met 1992 regelmatig in het nieuws vanwege een grootscheeps archeologisch onderzoek naar het graf van een Friese koning uit de zesde eeuw. De verwachting zo'n graf te vinden was gebaseerd op de vondst van sieraden die sterk lijken op sieraden die zijn gevonden in een Engels koningsgraf uit die tijd. Zo'n graf is echter niet gevonden, maar de vele duizenden gegevens die de opgraving heeft opgeleverd kunnen welworden beschouwd als een doorbraak in de archeologische kennis van het middeleeuwse Friesland.

 

5.10 Wijnaldum 17, Nienhuis of Nijehuis
Al in 1698 (dat is dus nog vóór zijn huwelijk op 10 november 1699 met Rixtie Foppes (Rodenhuis)) was Rein Jans meier van deze zathe. Rixtie overleed er 26 mei 1703.

 

5.11 Wijnaldum 19, Sieurda of Siverda
Vermeld in het Jierboekje op blz. 26.   In 1708, een jaar na zijn huwelijk met Popck Upckes, was Rein Jans hier meier.

 

5.12 Sexbierum 14 en 15, Jonger en Alder Walta
Op de Eekhoffkaart zijn Groot en Klein Walta beide ingetekend. Nu staat in de floreenkohieren in plaats van Klein ook wel Jonge Walta. Als we dan verder nog in beschouwing nemen dat "Jonger" en "Alder" Friese vormen zijn van "jong" en "oud", dan is wel duidelijk dat de begrippen Klein-Groot en Jonger-Alder elkaar volledig dekken. Het Walta van omstreeks 1550 moet dus hetzelfde zijn als dat van 1850. Het jongere Klein Walta zou dan net als dat bij Ongeboer het geval was oorspronkelijk één geheel gevormd hebben met het oudere Groot Walta. Groot Walta bestaat nu nog steeds.

 

5.13 Sexbierum 18 en 19, Klein en Groot Juckema
Groot Juckema wordt genoemd als naastligger van Johannes Dirks Hollander, die meier was op Haarda (stem 20).

 

5.14 Sexbierum 20, Haarda of Spijk Haarda
Spijk heeft vermoedelijk dezelfde betekenis als spijk in "Kerkspijk", een stuk land van 15 pm, dat de weduwe van Jan Hollander te Pietersbierum in 1818 op haar naam heeft staan.

 

Opmerking
Het is wel opmerkelijk te zien dat het Swart Slot te Pietersbierum, Haarda en de beide Juckema's en Walta's te Sexbierum allen ongeveer op één lijn ten zuiden van de terpenrij, waarop die dorpen zijn ontstaan, op de lager gelegen gronden richting de Ried liggen. In oude tijden lag nog zuidelijker van Wijnaldum tot Getswerderzijl een groot rietmeer. De Schotanuskaart geeft het nog aan met stippellijntjes. In het jaar 1609 werd in het midden van dat meer een diepe gracht, slink of vaart gegraven, zodat het althans in de zomer geheel droogviel. Het gevolg was dat aan beide kanten van dat meer veel landen zijn aangegroeid; bij Tjetse sate te Wijnaldum bijvoorbeeld wel 10 pm, maar ook de aangroei bij het Swart slot was aanzienlijk. Deze laaggelegen stukken land zijn afzonderlijk ingepolderd en voorzien van molens voor de bemaling. Zo'n molen stond er volgens de Schotanuskaart dus ook bij Tjitsma en op het land van Gerrijt Ypes Hollander.